PERSBERICHT- ‘Tussen hemel en aarde’ – de expositie over het werk van kunstschilder, beeldhouwer en schrijver Willem G. van de Hulst (1917-2006) trekt veel bezoekers.
Sinds de opening van de expositie op 15 juni jongstleden trekt het, voorheen nog niet zo bekende, vrije werk van W.G. van de Hulst junior nu ook bij een groter publiek de aandacht. Een begrip voor generaties Nederlanders was hij al. Wie kent niet de vertrouwde beelden van In de Soete Suikerbol en Peerke en zijn kameraden? Veel minder mensen kenden Willem G. van de Hulst van zijn werk als kunstschilder, beeldhouwer en schrijver. Zijn tedere aquarellen, robuuste sculpturen en monumentale doeken zouden uiteindelijk zijn levenswerk gaan vormen. Het Stedelijk Museum in Vianen toont nog tot en met 14 oktober een selectie uit het veelzijdige oeuvre van W.G. van de Hulst.
Na het succesvol afronden van de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam in 1938 maakte Van de Hulst junior al snel naam als illustrator van zijn vaders kinderboeken. Hij stopte met het illustreren van kinderboeken toen zijn vader in 1963 overleed. Daarna werkte hij nog ruim veertig jaar uitsluitend als schilder en beeldhouwer. In 1984 bracht het Singer Museum te Laren een ode aan het werk van Van de Hulst middels een uitgebreide overzichtsexpositie. In de zomer van 2005 verscheen het boek Zoekend naar het Licht: een met zorg samengesteld overzicht van het indrukwekkende levenswerk van deze gepassioneerde kunstenaar.
En nu, bijna een jaar na zijn overlijden, toont het Stedelijk Museum Vianen een bijzondere selectie uit het werk van deze kunstenaar, waaruit vooral blijkt dat er grote samenhang is tussen zijn vroegere illustraties en zijn latere schilderijen en beeldhouwwerken. Niet alleen in zijn tekeningen, die zoveel indruk maakten op kinderen, heeft hij zijn eigen angsten om weten te zetten in een beeld. Ook in zijn schilderijen zijn de angsten van de schilder zichtbaar geworden. Maar soms lijken, zoals auteur Jan Siebelink het in zijn openingstoespraak verwoordde: ‘ (…) de demonen overwonnen, dan is hij al het verhalende, al het literaire ontstegen (…).
De pers schreef:
‘Altijd lijkt de kunstenaar vanuit het donker op zoek naar het licht. Zelfs in zijn meest duistere landschappen duikt nog een lichtplek op, waar je als kijker haast naartoe gezogen wordt.’ (Trouw)
‘(…) Er zijn duistere landschappen, eenzame figuren in een lege ruimte (…). De mens is eenzaam, naakt, verloren in het donker. Toch hangen er ook schilderijen die een vermoeden geven van uitzicht, van vrede: een verstild tafereel van een moeder en een kind, twee oude mensen die zich bij elkaar verschuilen, landschappen waarover de rust
schijnt neergedaald (...).’ (Reformatorisch Dagblad)
‘Wat een ongelooflijk mooi werk, waarom kende ik dit niet! En waarom hangt het niet ook in het Stedelijk in Amsterdam?’
(Theodor Holman in Opium, Radio 1)
‘Intense schilderijen van een sneeuwlandschap – zónder voetstapjes – van donkere kroegen, van zijn vrouw. Met in de plooien van haar jurk, bijna onzichtbaar, hun overleden kind.’’ (Nederlands Dagblad)